Prof. dr. W.B. Drees


Een interpretatie en verdediging van naturalisme

Toespraak bij de presentatie van het derde deel van het Verzameld Werk van J.H. Gunning, Jr., te Blauwkapel

10 december 2015


Laat ik beginnen met een excuus ten opzichte van de organisatoren en u als aanwezigen: Ik weet niet veel over Gunning. Ik spreek vooral naar aanleiding van de kritiek van Gunning op het naturalisme – en ‘naar aanleiding van’ geeft mij ruimte voor een eigen invulling, die misschien wel meer over mezelf dan over Gunning zegt. Al luisterend en lezend realiseer ik me dat ik voorbij gegaan ben aan onderscheid tussen ethische theologie en confessionele orthodoxie; in veel opzichten staat de ethische theologie dichter bij dan het volgende misschien zou doen denken.


1. Mijn motief: Gunning als hoogleraar Godsdienstwijsbegeerte en Ethiek te Leiden

Ik heb een eigen reden om te vinden dat ik me ooit eens in Gunning zou moeten verdiepen. Tot een jaar geleden was ik in Leiden hoogleraar ‘Godsdienstwijsbegeerte, zedekunde en encyclopedie van de godgeleerdheid’. Ik ben benieuwd naar mijn voorgangers op die leerstoel; hun denken is een intellectuele afspiegeling van ruim een eeuw denken over geloof in Nederland. De leeropdracht ‘godsdienstwijsbegeerte’ was geïntroduceerd met de wetswijziging in 1876 die bij de openbare universiteiten – toen nog het enige type in Nederland – leidde tot het onderscheid tussen kerkelijke en niet-kerkelijke vakken. Godsdienstwijsbegeerte was aan niet-kerkelijke zijde het meest inhoudelijke vak; je zou kunnen zeggen dat het systematische theologie kon zijn, maar dan op wijsgerige basis, d.w.z. zonder een beroep op openbaring, kerk, traditie of persoonlijke ervaring.

Eerst kreeg J.H. Scholten deze leeropdracht, een destijds bekende maar nu vrijwel vergeten negentiende-eeuwse rationalistische theoloog. Vervolgens kwam de moderne L.W.E. Rauwenhoff. Na diens overlijden in 1889 werd de ethische theoloog J.H. Gunning, Jr. benoemd door ‘de Kroon’; misschien wel een bewuste ‘correctie’ van het in Leiden dominante modernisme.

Gunning koos er voor om de godsdienstwijsbegeerte “te doceren uitgaande van het ‘geloof der gemeente’ in Jezus Christus als de openbaring van God”. Een jaar later erkende Gunning dat de wetgever in 1876 juist voor de godsdienstwijsbegeerte een andere bedoeling had gehad. Dit leidde tot een ruil van vakken met de remonstrantse, moderne C.P. Tiele, die het vak ‘Geschiedenis der leer aangaande God’, dus geschiedenis van de dogmatiek, aan Gunning overdroeg. Gunning achtte zich niet op zijn plaats in de godsdienstwijsbegeerte. Ik acht dat een respectabele én juiste beslissing.


2. Het Spinoza-standbeeld in Den Haag

In het deel van het Verzameld Werk dat vandaag hier gepresenteerd wordt, treffen we twee ingezonden brieven van Gunning naar aanleiding van het voornemen om een standbeeld van Spinoza te plaatsen in Den Haag, aan de Paviljoensgracht. Het standbeeld is er gekomen, en staat er nog steeds. Op 19 januari 1876 schreef Gunning, destijds predikant te ’s-Gravenhage, in een lokale krant, aan “de hoge heren, leden van het Spinoza-Comité”. Waarom is hij tegen dit standbeeld?

Allereerst noemt hij Spinoza “zoon van een Spaanse vader” (VW deel 3, p. 208), wat het lastig maakt hem als deel van de Nederlandse cultuur te presenteren. Misschien hebben soortgelijke overwegingen er in 2004 toe geleid dat Spinoza niet voorkwam op de lijst van tweehonderd kandidaten voor de titel ‘Grootste Nederlander aller tijden’.

Gelukkig neemt Gunning dit argument terug. Gunning heeft ook echt waardering voor de persoon, “het verheven karakter en voorbeeldig leven van Spinoza”. Hij heeft echter bezwaar tegen diens filosofie (zoals destijds werd opgevat). “Daar nu de noodzakelijke strekking van Spinoza’s wijsbegeerte tegen deze [vrijheid van belijden] en elke andere vrijheid gekant is, moet ik als protestants christen en Nederlander mij verklaren tegen een eerbewijs”.

Ruim twee weken later verbindt Gunning in de Friesche Courant (VW 3, pp. 209-210) een passage uit het Tractus theologico-politicus met de Franse Revolutie, en wel de verklaring van de rechten van de mens en de burger van 24 juni 1793. Als het doel van de staat is het algemeen belang te dienen, dan kan dat de individuele vrijheid belemmeren.

In 1880 werd het beeld onthuld. Gunning hield een preek die als brochure is verschenen, Deze wereld of de toekomende? (VW 3, p. 405-420). In de preek noemt hij als kern van de leer van Spinoza: “De werkelijkheid is de waarheid. Het bestaande, mits volkomen en met juistheid in zijn gevolgtrekkingen ontvouwd, is het ideaal zelf.” (407). Dat contrasteert met het denken in termen van een kloof, niet slechts door gebrekkig inzicht maar door zonde, door “afval van God”.

De mens is dus beperkter dan de Spinozisten menen. Tegelijk heeft echter de gelovige mens meer: “de Heilige Geest (…) leidt ons in ‘de waarheid’.” Dat geeft juist extra inzicht aan de belijdende gelovigen: “Wij zijn met Christus in de hemel gezet, en zien nu niet meer de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet, omdat die eeuwig zijn.” (408). Even later in deze preek: “Dit is wat ons van Spinoza – niet van het streven van zijn hart, maar van zijn stelsel – scheidt. Dat stelsel bepaalt ons bij de tegenwoordige wereld, en wij leven in de toekomende.” (408)

Kort samengevat, lijkt me de zorg over het naturalisme dat er geen boven de mens staande norm lijkt te zijn, of dat nu verwoord is als deze wereld en de toekomende, het aardse en het hemelse perspectief, de dingen die men ziet en de dingen die men niet ziet.


3. Actualiteit van Spinoza

Spinoza heeft het gewonnen van Gunning, zo laat de geschiedenis van de laatste decennia zien. Spinoza werd het icoon bij een van de vensters van de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het Spinozahuis in Rijnsburg is een seculier pelgrimsoord. Afgelopen zondag was er in de Rode Hoed in Amsterdam een debat over de vraag of de ban waarmee Spinoza uit de Joodse gemeenschap was gezet, moest worden opgeheven. Als ik de berichten begrijp, dan is de conclusie geweest dat de ban opheffen juridisch niet kan, want betrokkene had dan zelf binnen dertig dagen bezwaar hebben moeten maken, en dat ongedaan maken niet relevant is want bij het overlijden is de banvloek vanzelf beëindigd. Maar vooral krijg ik de indruk dat het irrelevant is geworden: de orthodoxe gemeente mag voor de eigen gemeenschap eigen regels hebben, en volgens die regels hebben ze terecht Spinoza er uit gezet. Die ban is echter voor alle anderen een irrelevant oordeel geworden.

Over Gunning en Spinoza spreekt straks Rinse Reeling Brouwer; ik ga hier proberen op eigen wijze wat te zeggen over de thematiek van het naturalisme zoals dat hier bestreden lijkt te worden.


4. Onvermijdelijk verantwoordelijk voor al onze kennisclaims

Menselijke hoogmoed, te zeer geloven in de menselijke autonomie, en daarmee het miskennen van openbaring, het miskennen van onze zonde, het miskennen van het gezag van God, dat lijkt typerend voor een orthodox verwijt aan modernen of vrijzinnigen – als ik het voor vandaag zo schematisch mag neerzetten.

Inderdaad lijken er twee fundamenteel verschillende houdingen te zijn, ten aanzien van menselijke overtuigingen. Het gaat niet om de overtuigingen zelf – ik hoorde een vrijzinnige de eigen positie omschrijven als het recht om zelf te bepalen hoe orthodox je wilt zijn. Voor hem had het denken in termen van drie-eenheid wel betekenis; daarin was hij orthodoxer dan veel andere vrijzinnigen. Maar in de erkenning dat het zijn beslissing was om die positie in te nemen, was de benadering openlijk vrijzinnig, in contrast met het beroep op een hoger gezag – God, de Bijbel, de paus, of de intuïtie.

Mij lijkt geloof in menselijke autonomie, waar het gaat om het accepteren van overtuigingen, onvermijdelijk én wenselijk. Het is onvermijdelijk, in die zin dat iedere positie die een mens inneemt, door die mens is ingenomen. Wanneer Gunning stelt dat de belijdende gelovige, ‘met Christus in de hemel is gezet’, en nu de dingen ziet ‘die men niet ziet’, dan is een meer sobere vertaling daarvan dat die gelovige zaken aanneemt die niet berusten op voor iedereen toegankelijke bronnen van kennis. Dat acht ik menselijk gesproken legitiem, als het erkend wordt als een aanname. Immers, geloof dat als gegeven wordt beleefd, kennis die als gegeven wordt beschouwd, is door degene die dat accepteert als zodanig geaccepteerd. Wie zich beroept op openbaring, kan niet ontkomen aan de voorafgaande stap – dat te hebben erkend als openbaring.

Dat het een menselijke stap is – onontkoombaar – betekent niet dat het niet waar zou kunnen zijn. Maar de erkenning dat het een menselijke stap is, wanneer je je beroept op openbaring, op de oorspronkelijke bronnen van de eigen traditie, op het eigen gevoel of op God zelf, lijkt me onontkoombaar. Die erkenning is ook een zaak van verantwoordelijkheid. Een mens kan zich niet verschuilen achter gezag van buiten – want ook het gezag van buiten is gezag voor zover het als zodanig erkend wordt. Ook de fan is verantwoordelijk voor de eigen keuze voor degene waar men fan van is geworden. Afwegingen kunnen op allerlei manieren worden gemaakt en gerechtvaardigd.

Het is abstract, maar ook heel concreet. We zien het bij de radicale islamisten – hoe meer er naar de aard en legitimatie van hun ideeën gekeken wordt, hoe meer duidelijk wordt dat het een zelf geknutselde versie van de traditie is. Het is, in deze zin, een ketterij. Alleen geldt dat niet alleen voor hen; we ontkomen er niet aan zelf te bepalen wat er gezag heeft. Dat is een intellectuele vrijheid en verantwoordelijkheid die wat mij betreft is verbonden met de naam van Spinoza, als symbool van intellectuele vrijheid. Het is ‘naturalisme’ in de zin dat er geen bronnen van gezag en kennis zijn die zich hieraan onttrekken.


5. Godsdienstwijsbegeerte: Het gesprek van autonome mensen

Verantwoordelijkheid voor de eigen overtuigingen, en in die zin autonomie, hoeft geen willekeur te betekenen. Er is een serieus gesprek mogelijk over de waarheid en waarde van overtuigingen. Een effectief gesprek gebruikt argumenten die door de gesprekspartners gedeeld worden. Hoe minder je deelt, hoe verder je moet zoeken naar elementaire overwegingen die voor de gesprekspartners relevant zijn.

Ik kom in dit verband terug op de aard van de godsdienstwijsbegeerte, de leeropdracht die Gunning zo snel heeft overgedragen. Van mijn Groningse leermeester H.G. Hubbeling leerde ik als omschrijving:

Centraal is de vraag naar de waarheid van godsdienstige uitspraken. Wij kunnen zelfs stellen, dat de godsdienstwijsbegeerte daarin van de godsdienstwetenschap verschilt, dat hierin wél de waarheidsvraag (en de vraag naar de waarde van een bepaalde godsdienst) kan worden gesteld. Wij zouden zelfs de volgende ‘formule’  kunnen opstellen:

godsdienstwijsbegeerte = godsdienstwetenschap + het stellen van de waarheidsvraag.


Het betekent niet dat de godsdienstwijsbegeerte tot een antwoord over waarheid of plausibiliteit hoeft te komen; het gaat om de vraagstelling. De discussie blijft alsmaar gaande. Met de godsdienstwetenschappen hoort de godsdienstwijsbegeerte tot de niet-kerkelijke vakken, volgens de indeling vanaf 1876.

Hubbeling had nog een tweede afbakening, ten opzichte van de systematische theologie. Ik citeer nogmaals (nu van p. 9):


Als voorlopige scheidslijn tussen theologie en filosofie willen wij de volgende scheidingslijn trekken. Bij een wijsgerige benadering wordt géén beroep op openbaring gedaan; bij een theologische benadering wél.


Ook het beroep op intuïtie, gevoel, persoonlijke kennis, kerkelijk leergezag, confessie of pauselijke autoriteit, of ieder ander gezagsargument, onttrekt de discussie over claims aan de openbare intellectuele sfeer, die hoort bij de godsdienstwijsbegeerte. Vandaar dat het mij terecht lijkt dat Gunning concludeerde dat datgene waar hij voor wilde staan, zoals hiervoor al geciteerd, het vak “te doceren uitgaande van het ‘geloof der gemeente’ in Jezus Christus als openbaring van God”, niet paste binnen de spelregels van de godsdienstwijsbegeerte.


6. Naturalisme: Wij hebben ons zelf niet gemaakt

Het is natuurlijk niet waar dat we autonoom zijn. Ik heb veel geleerd van mijn ouders. Ik ben een mens, en daarmee heb ik bepaalde mogelijkheden en beperkingen bij het waarnemen van de wereld. Ik ben opgegroeid in Nederland; veel heb ik meegekregen via taal en cultuur. Dat lijkt me de andere zijde van naturalisme. Hiervoor ging het er om dat er geen mogelijkheid is om ons te verschuilen achter extern gezag. Hier gaat het er om dat we deel zijn van de natuur, of – meer menselijk gesproken, want de cultuur hoort daarbij, – van de wereld, de werkelijkheid. In die zin is heteronomie vanzelfsprekend; wij zijn niet blanco begonnen, alsof ons denken zich uit het niets zou kunnen ontwikkelen.

Die werkelijkheid waartoe wij behoren, hebben we in de laatste eeuwen beter leren kennen. Scheikundigen hebben ontdekt dat er een beperkt aantal elementen is, zoals waterstof, koolstof en zuurstof, die in allerlei combinaties de verschillende materialen vormen zoals wij die ervaren. Natuurkundigen hebben ontdekt dat die bouwstenen verder zijn te ontleden in termen van protonen, neutronen en elektronen, of bij verder doorgraven, als quarks en gluonen, of, misschien, bij nog verder doorgraven, als supersnaren. Het laatste antwoord is niet bekend.

‘Naturalisme’ betekent voor veel mensen ook het accepteren van de kennis die de natuurwetenschappen over de wereld, en ook over ons zelf, hebben opgeleverd. Niet als een bron van ons wezensvreemd gezag, maar als product van het werk van mensen, uitgefilterd in een lang sociaal proces van toetsen. Het levert een fascinerend beeld van de werkelijkheid; er is een indrukwekkende samenhang én een innerlijke rationaliteit die maakt dat een wiskundige beschrijving verrassend effectief kan zijn.

De kracht van de natuurwetenschappelijke benadering, met alle ‘reductie’ die daar deel van uitmaakt, is voor een naturalist géén negatief beeld. Dat we zo goed zaken kunnen vatten als voortkomend uit fundamentelere zaken leidt eerder tot verwondering: kennelijk kan materie niet alleen een hoop zand vormen, maar ook Mozart, Einstein, Boeddha, en Jezus. Dit gevoel is wat mij betreft goed verwoord door Leo Vroman, die als onderzoeker van bloedstolling ook dichter was. Ik citeer de derde strofe van de eerste van een serie gedichten die hij ‘Psalmen’ noemde.


Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,

Aard van ons hier en nu,

ik voel me diep door U bereikt

en als daardoor mijn tijd verstrekt

ben ik nog meer van U.


Dat is de andere kant van het naturalisme van Spinoza, diens wereldbeeld. We hebben veel bijgeleerd, en dus ook afgeleerd. Maar het is onvermijdelijk zo dat we ons zelf zien als wezentjes in een grotere geschiedenis, een groter geheel. Zo heel ver staat dat ook niet af van woorden die aan Paulus worden toegeschreven in Handelingen (17: 28), over de werkelijkheid waarin wij leven, ons bewegen, en zijn.


7. Is dat alles? De mogelijkheid van een naturalistisch theïst én agnost

Bij Paulus is die werkelijkheid, zo de tekst in Handelingen, groter dan de natuur – daar gaat het over God in wie wij leven en zijn. Past dat in een naturalistisch programma? Wat mij betreft wel. Niet de claim daarover kennis te hebben – dat reikt te ver. Maar wel kan de verwondering over het bestaan op verschillende manieren worden doordacht. Wat mij betreft is het denken over onze afhankelijkheid van de werkelijkheid, de verwondering over de orde en het potentieel van die werkelijkheid, een context waarin denken over God als schepper en onderhouder een plaats kan hebben, niet als een speler in de wereld, een actor binnen een boek maar de auteur van het boek. Een naturalist kan een theïst zijn.


Misschien ook is de wereld haar eigen grond, een meer pantheïstisch denken zoals Spinoza dat lijkt te hebben verwoord. Of misschien is het wel anders. Voor die ultieme vragen lijkt me dat een serieuze naturalist een agnost is: wij mensen weten het niet, en kunnen het niet weten. Dat is niet erg; er is ons al zoveel gegeven, aan medemensen, aan kennis, aan vragen.



8. Spinoza en Gunning

Gunning verzette zich tegen het standbeeld voor Spinoza. Hier vieren we dat een aantal mensen het Verzameld Werk van Gunning heeft uitgegeven, ook een soort standbeeld. Het zijn vormen van herdenken.

Spinoza is, net als Charles Darwin, een seculiere heilige geworden. Een symbool, een sjibbolet. Natuurlijk, er zijn ook mensen die hen echt bestuderen, maar vaak functioneert de verwijzing naar hem zo – en zeker een standbeeld heeft die rol. Groten uit het verleden worden tot een symbool.

Dat doet ieder gedenken. Dit spoort met wat ik over autonomie zei – degene die zich beroept op Spinoza, Darwin of Gunning, neemt zelf de verantwoordelijkheid op zich voor dat wat er gezegd wordt gevonden te zijn. Ook het heruitgeven van de werken van Gunning is een handeling van mensen nu. Iets wat enkele mensen de moeite waard vonden, is opgepakt. Misschien deels uit historische belangstelling, maar ook omdat de initiatiefnemers daar voor het heden belang in zien.

Misschien dient het om een zelfbewuste theologie te voeden, die weerbaar is tegen het hier geschetste naturalisme. Al zou ik dan eerder adviseren om het niet tegenover de naturalistische houding te plaatsen, maar de essentiële elementen daarvan te erkennen – en daarmee verder te doordenken.


Willem B. Drees

Hoogleraar Filosofie van de Humanities, Tilburg University

Zie verder www.drees.nl