BEDRIJFSNAAM

Prof. dr. J. de Bruijn


ENIGE OPMERKINGEN OVER GUNNING EN DE POLITIEK

(Toespraak bij de presentatie van het eerste deel van het ‘Verzameld Werk van J.H. Gunning Jr.’ op 12 oktober 2012).


In de eerste helft van de jaren twintig van de vorige eeuw verscheen te Rotterdam bij J.M. Bredée’s Boekhandel en Uitgeversmaatschappij een werk in vijf kloeke banden, dat mag gelden als de voorloper van Gunnings Verzameld Werk, waarvan het eerste deel vanmiddag ten doop wordt gehouden. De titel van het opus luidde Prof. dr. J.H. Gunning Leven en Werken en het was geredigeerd door Gunnings zoon, dr. J.H. Gunning J.H.zn, een man die maar moeilijk maat kon houden, zeker waar het de verering voor zijn vader betrof. Door de wijdlopigheid en het enthousiasme van de zoon was de uitgave heel wat omvangrijker geworden dan aanvankelijk was voorzien. Het had dan ook moeite gekost om de financiën rond te krijgen.


Vergeefs had de bewerker bij enkele geleerde genootschappen om steun aangeklopt, maar gelukkig was de christelijk-historische minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr. J.Th. de Visser, tenslotte bereid geweest een rijkssubsidie toe te kennen. De naam van de minister prijkte dan ook als derde op de alfabetische lijst van bijna 500 intekenaren, na die van Hare Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Moeder, wel een teken dat Gunning ook aan het Hof een goede naam had. Koningin Wilhelmina had er zelfs mee ingestemd dat het derde deel van de uitgave aan Haar werd opgedragen! - Misschien kan deze laatste mededeling de redactie van het nieuwe Verzameld Werk op een idee brengen.


De jonge Gunning had een goede entree bij minister De Visser, want beiden waren oude Utrechtse studievrienden en De Visser deed in verering voor de oude Gunning nauwelijks voor de zoon onder. Na het verschijnen van het registerdeel bracht hij de zoon in een briefje zijn welgemeende hulde voor ‘het machtige, monumentale werk dat gij hebt verricht’, en hij eindigde met de woorden: ‘Het beeld van uw, door mij als een heilige beschouwden, vader blijft diep in mijn hart gegrift, omdat ik geestelijk zooveel aan hem heb te danken.’


Inderdaad vervulde De Visser in het toekennen van het rijkssubsidie een ‘plicht der dankbaarheid’ jegens Gunning. Als theologisch student te Utrecht was De Visser gevormd door de ethische hoogleraren Beets en Valeton jr, maar het meest had hij toch te danken aan het persoonlijk contact met Gunning, in die tijd nog predikant in Den Haag. In de academische vakanties ging De Visser met zijn studievriend Gunning J.H.zn mee naar Den Haag en voerde dan lange gesprekken met ds. Gunning. In zijn autobiografie schrijft de zoon daarover: ‘Ons Vissertje wist mijn vader, die anders erg zuinig was op zijn tijd, urenlang zonder het geringste protest vast te houden.’ En elders: ‘Aan mijn vader heeft De Visser voor zijn geestelijk leven ontzaglijk veel te danken gehad.’ Ook De Visser heeft dit meer dan eens erkend. In zijn ongepubliceerde autobiografie uit 1905 noemde hij Gunning ‘mijn geestelijke vader’. En in het feestalbum bij Gunnings predikantsjubileum in 1894 schreef De Visser, verwijzend naar het woord van Pascal dat de christenen de deugden geheiligd hebben: ‘Ik denk bij dit laatste woord aan een christen, van wiens omgang en geschriften ik zoveel genoot!’


Dames en heren, het valt niet mee om in twintig minuten iets te zeggen over Gunning en de politiek, maar dat de postume uitgave van de werken van deze theoloog mede mogelijk zijn gemaakt door een politicus leek mij in elk geval een passend begin. Ik heb bovendien de wat pretentieuze titel, waaronder ik mijn toen nog te maken causerie aanvankelijk had laten aankondigen, veranderd in het meer bescheiden en negentiende-eeuws klinkende opschrift: ‘Enige opmerkingen over Gunning en de politiek’.


Voor alles moet men vaststellen dat Gunning geen man was voor de politiek, hij was er te argeloos, te naïef, te idealistisch en misschien ook wel te heilig voor. Hij stond vreemd tegenover het politieke bedrijf met zijn theater, met zijn polemische en demagogische kanten. Hij constateerde met leedwezen dat beginselen in de politiek vaak vertroebeld werden door persoonlijke ambities, emoties, belangen en machtsverhoudingen. Evenals Hoedemaker was Gunning niet geschikt en slagvaardig genoeg voor het gewiekste politieke debat, waar Kuyper wel een meester in was. Gunning was dus geen man voor de politiek, maar dat wil niet zeggen dat politieke kwesties hem onberoerd lieten. Als het om geestelijke en kerkelijke zaken ging, zoals de schoolkwestie, de theologische faculteiten of de positie van de Hervormde Kerk, liet hij zijn stem publiekelijke horen of maakte hij zijn mening informeel kenbaar aan bevriende Kamerleden.


Een bijzondere aversie had Gunning tegen partijvorming in de politiek, zoals die sinds de jaren zeventig door Abraham Kuyper werd nagestreefd. Door de antirevolutionaire richting van Groen van Prinsterer om te vormen tot een antirevolutionaire partij, met een binding van de Kamerleden aan een partijprogramma, met fractiediscipline en een partijleiding die de koers bepaalde, werd de politiek er niet beter op. Een partijleider (Kuyper dus) trad op als een generaal, hij commandeerde en de leden hadden te gehoorzamen. Voor onafhankelijke geesten was geen plaats. Een partij ging het om de macht, niet om beginselen of argumenten. Dat werkte politiek opportunisme in de hand. Een partijhoofd móest dan ook wel onoprecht zijn, omdat hij vaak tactisch en berekenend moest opereren.


Zelf had Gunning al in een vroeg stadium gewezen op het belang van onafhankelijke, authentieke, zo men wil charismatische  persoonlijkheden in de politiek. Hij deed dit in de lezing Adel in rang en hart. Een woord aan de Nederlandse Aristokratie, die terecht ook is opgenomen in het eerste deel van het Verzameld Werk. Gunning hield de lezing in februari 1871 in de salon van Baron van Wassenaer van Catwijck in Den Haag en publiceerde haar kort daarna bij Höveker en Zoon te Amsterdam.


In deze lezing toonde Gunning zich voluit aristocratisch gezind. Hij betoogde dat de aristocratie haar leidende rol in de politiek alleen kon behouden, als zij bereid was Christus na te volgen, als zij niet alleen adel was in rang maar ook adel in hart, een geestelijke aristocratie. Krachtens haar hoge geboorte had de adel in dit opzicht een bijzondere roeping. Historisch fundeerde hij deze zienswijze door te wijzen op de zestiende eeuw, toen de adel zich met goed en bloed had ingezet voor de godsdienstvrijheid. Theologisch door te wijzen op het voorbeeld van Christus, waarin de hoogste adel der mensheid was verwezenlijkt. De adel kon door haar zelfopoffering voor het volk een voorafbeelding zijn van de heerschappij van Christus in de wereld.


Gunning zelf dacht bij dit zichzelf verloochende christelijk leiderschap vooral aan de figuur van Groen van Prinsterer. In hem zag hij het ideaal belichaamd van de ware ‘ridder zonder vrees of blaam’, die zich inzet voor het volk. Een man die alleen durfde te staan en die in geloof bereid was de smaad der wereld te dragen. Maar men kan deze vorm van ‘politische Romantik’ net zo goed op Kuyper toepassen. Kuyper deed dat zelf in elk geval wel, door zijn leiderschap als een ‘dienst’ en een ‘offer’ te beschouwen, en door zijn identicatie met de figuur van de lijdende Christus. Het motto van Calvijn, ‘Terar dum prosim’ (laat mij maar verteren, als ik maar tot nut ben), lag hem in de mond bestorven. Kuyper klaagde vaak over zijn ‘eenzame post’ en zag zichzelf als een Daniël in de leeuwenkuil, zoals toen hij in een debat in de liberale Tweede Kamer de regels aanhaalde van de Amerikaanse zanger en dichter Philip Paul Bliss:


Dare te be a Daniel

Dare to stand alone

Dare to have a purpose firm

Dare to make it known


Dames en heren, ik noem de figuur van Kuyper hier niet zonder reden, omdat dr. Albert de Lange Gunnings lezing enkele jaren geleden heeft aangegrepen om enkele tegenstellingen tussen Kuyper en Gunning aan te tonen. Hij doet dat in een mooi artikel, met als titel: ‘Adel in rang en hart. Gunnings opbouw van een netwerk van ridderlijke persoonlijkheden als alternatief voor de politieke partijvorming’. Allereerst ziet De Lange op basis van Gunnings lezing een tegenstelling tussen de christelijk-aristocratische lijn van Gunning en de christelijk-democratische lijn van Kuyper. Ten tweede schetst hij een tegenstelling tussen Gunnings nadruk op edele persoonlijkheden en Kuypers streven naar partijvorming. Ter wille van de levendigheid van ons samenzijn wil ik deze conclusies van De Lange van enkele nuancerende glossen voorzien.


Allereerst de tegenstelling christelijk-democratisch versus christelijk-aristocratisch. Naar mijn mening wekt De Lange in zijn artikel teveel te indruk dat Gunnings lezing uit 1871 een ideologisch pleidooi is voor een christelijk aristocratisch bestel, waaraan hij zijn leven lang zou hebben vastgehouden. Naar mijn mening is ‘Adel in rang en hart’ echter een gelegenheidsgeschrift, waarin Gunning zich met een vermanend woord richt tot de bestuurlijke elite van zijn tijd. Men moet niet vergeten, dat Nederland in 1871 nog een standenmaatschappij was met een uiterst beperkt kiesrecht, waardoor de Kamerleden nog grotendeels afkomstig waren uit adel en patriciaat.


Gunning deed dus gewoon een christelijk appel op de politieke elite van die tijd en wees hen erop dat zij het in een tijd van revolutie aan hun stand verplicht waren ernst te maken met Gods Woord. Gunnings lezing heeft dan ook een specifiek en tijdgebonden karakter en kan niet dienen om ook de latere Gunning vast te leggen. Bovendien wekt de tegenstelling christelijk-aristocratisch en christelijk-democratisch de indruk, dat Gunning conservatiever zou zijn dan Kuyper. Ook dit is voor nuancering vatbaar. Kuyper was misschien democratischer en radicaler, maar ook Gunning had hart voor de arbeiders (zoals we nog zullen zien) en was later zeker niet tegen kiesrechtuitbreiding.


De tweede tegenstelling die De Lange uitgaande van Gunnings lezing uitwerkt, is die tussen persoonlijkheid en partij. Volgens De Lange stelde Gunning een netwerk van ridderlijke persoonlijkheden tegenover Kuypers streven naar partijvorming. Ook deze tegenstelling vind ik te sterk aangezet. Inderdaad had Gunning grote bezwaren tegen Kuyper als partijman, tegen zijn manier van partijvorming, die hij veel te dwingend en zelfs onethisch vond, zowel in de kerk als in de staat. Maar het gaat te ver om te zeggen dat Gunning gekant was tegen elke vorm van organisatie op politiek gebied. Kuypers manier was de zijne niet, maar het komt mij voor dat Gunning, in elk geval later, wel openstond voor vrijere vormen van politieke organisatie.


Weliswaar weigerde Gunning in 1888 deel te nemen aan de Nationale Partij van Bronsveld en Buytendijk, maar alleen omdat de partij niet principieel uitging van het geloof in Jezus Christus als persoonlijk levensbeginsel. En toen het in 1894 tot een breuk kwam tussen Kuyper en Lohman, lag Gunnings sympathie bij de vrij-antirevolutionairen van Lohman, die als zelfstandige politieke groepering verder gingen: vrijer dan de ARP onder Kuyper, maar wel als partij. Ook de oprichting van de hervormd georiënteerde Christelijk-Historische Kiezersbond in 1896 zal zijn instemming hebben gehad, zeker toen zijn oud-leerling De Visser in 1897 voor deze partij in de Tweede Kamer werd gekozen. Dat geldt wellicht ook voor de door Hoedemaker geïnspireerde Fries christelijk-historischen. Zij brachten in 1901 mr. dr. J. Schokking in de Tweede Kamer, die nog bij Gunning in Amsterdam in de collegebanken gezeten had.


Sinds 1901 zaten er drie predikanten in de Tweede Kamer, die allen op een of andere manier door Gunning gevormd waren. De Visser, Schokking en A.S. Talma. Ook Talma was als ethisch-hervormd predikant een geestverwant van Gunning, maar hij had zich in 1894 op sociale gronden bij de Antirevolutionaire Partij van Kuyper aangesloten. Toen Gunning na zijn emeritaat naar Arnhem verhuisde ontstond er persoonlijk contact met Talma, die er predikant was. Gunning werd ouderling bij Talma en verving hem regelmatig in de gemeente en in de kerkenraad, als Talma weer eens voor de ARP of voor Patrimonium op pad moest.


Ook toen Talma Kamerlid werd bleef het contact bewaard. Het blijkt uit drie brieven die Gunning aan Talma schreef. Talma’s brieven zijn helaas niet bewaard gebleven. De brieven van Gunning dateren uit het woelige voorjaar van 1903, toen het kabinet-Kuyper geconfronteerd werd met de spoorwegstakingen en wetsontwerpen voorbereidde om herhaling tegen te gaan. Gunning toonde zich in deze brieven bezorgd over Talma, die in deze hectische dagen overladen was met Kamerwerk en persarbeid. ‘Mijn lieve vriend,’ schreef Gunning, ‘Spaar u toch. Ik volg in de couranten uw werkzaamheden, en ik voel dat nog meer de ziel dan het lichaam er door wordt in beslag genomen. Maar, om het uitnemend gewicht dezer dagen, bewaar u voor de Kamer zooveel gij kunt. (…) Maar nog eens, spaar u, wij hebben stemmen als de uwe noodig!’


Maar Gunning uitte niet alleen zijn bezorgdheid om Talma’s welzijn, hij vond het ook zijn ‘vriendenplicht’ om bij hem op te komen voor de arbeiders, die, al hadden zij zich laten misleiden en meeslepen, toch recht hadden op een eerlijke behandeling van hun grieven. In de wetsontwerpen van de regering werd weliswaar een enquête in het vooruitzicht gesteld, maar Gunning vond dat niet voldoende. Wat nodig was, was een ‘scheidsgericht’ dat eerlijk recht kon spreken tussen de directies en de spoorwegambtenaren. Gunning drong er bij Talma op aan dit in de Kamer te bepleiten, en werkte daarbij krachtig op zijn sociaal gevoel:


‘Zoolang gij dit moment niet met nadruk tot voorwaarde stelt, zijt gij bij uwe verdediging van de wet m.i. niet meer de verdediger van de rechten der arbeiders die gij zijt in uw binnenste en, ik ben er zeker van, ook blijft. (…) Ziedaar mijn meening. God helpe u en onze regeering; gijlieden hebt het zwaar genoeg. Maar erkennen dat men, in een bijzaak of bijzondere toepassing, in de verwarring der toestanden een oogenblik van zijn beginsel is afgegaan en dat men er dus, zoodra men dat merkt, toe terugkeert, zulk een erkenning is geen schande maar eere. Men verzaakt dan zijn beginsel niet, maar handhaaft het, zij het ook tegen zichzelven; en men erkent dat men heden wijzer is dan men gisteren was, en dat men zijn beginsel liever heeft dan zichzelven.’


Uit Gunnings laatste brief kan men afleiden dat Talma zijn bezwaren inmiddels had weerlegd en Gunning kon hem dan ook dankbaar terugschrijven: ‘Mijn vertrouwen op den ernst en de onafhankelijkheid uwer begrippen, dat niet geschokt was door de gedachte der mogelijkheid van een dwaling, is door uwe uiteenzetting bij mij bevestigd.’


Dames en heren. De brieven van Gunning aan Talma hebben dezelfde toon als indertijd Gunnings brieven aan Groen van Prinsterer. Dat Talma Kamerlid was voor de ARP van Kuyper, maakte voor Gunning niet uit. Hij herkende in Talma de authentiek christelijke bewogenheid en gedrevenheid, die hij vroeger ook in Groen had gewaardeerd. Met zijn ridderlijk en onbaatzuchtig opkomen voor de arbeiders, vaak tegen de stroom in, toonde Talma namelijk ‘adel in hart’. Dat zal Gunning ongetwijfeld hebben aangesproken. In die zin heeft dr. De Lange zeker gelijk.