BEDRIJFSNAAM

Prof. dr. H.S. Benjamins


Gunning en de modernen over Christus

Bijdrage aan de studiedag op 17 januari 2014 bij de presentatie van het tweede deel van het Verzameld Werk


Het werk van Gunning heeft mij persoonlijk geboeid vanaf het moment dat ik er kennis mee maakte. Het verheugt mij daarom zeer dat ik vanmiddag een kort woord mag spreken bij de presentatie van het tweede deel van het verzamelde werk van Gunning, dat is bezorgd door Leo Mietus. Gunning en de ethische theologie zijn van grote waarde en invloed geweest voor de theologie in Nederland en wat mij betreft is het een van de grootste raadselen van de theologie in de twintigste eeuw dat ze zo plotseling en bijna spoorloos is verdwenen. Toch is de invloed van de ethische theologie volgens mij merkbaar en aanwijsbaar tot in Berkhofs ‘Christelijk Geloof’, ook al blijft die invloed anoniem. Ik hoop van harte dat het werk van Leo Mietus en de uitgave van Gunning zullen helpen om de ethische theologie ook in het heden nog te laten klinken.

Roessingh schreef over Gunning als een wat wonderlijke, naïeve man, die als hoogleraar in Leiden te midden van een moderne intellectualiteit ook vrijzinnige studenten vertrouwd kon maken met een heel eigensoortige evangelische spiritualiteit. Roessingh had hem zelf zo beleefd. Juist waar de ethische theologie niet klassiek of orthodox is, brengt ze in haar eigenheid een geluid naar voren dat er om vraagt werkelijk gehoord te worden, ook door vrijzinnigen. Dat kan, omdat Gunning van zijn kant ook werkelijk naar moderne opvattingen heeft geluisterd.


Wat heeft Gunning dan van de moderne theologie gehoord, wat brengt hij tegen de vrijzinnigheid in en wat is daarvan relevant voor ons? Daarmee wil ik me bezig houden.


In een rede van 1863 Wat dunkt u van de Christus? stelt Opzoomer dat wij Christus niet als een historische figuur kennen. Op de achtergrond van die bewering spelen de impact van het historisch kritisch onderzoek, het afscheid van de bijbel als letterlijk woord van God en de weerlegging van het wondergeloof een belangrijke rol: de belangrijke kwesties van die tijd. Wij weten niet wie Jezus was als historische figuur. Maar Opzoomer voelt ook niet veel voor de lage kijk op Jezus die bijvoorbeeld in de kritische visie van Renan doorklinkt. Wij kennen Christus volgens Opzoomer niet als historische figuur, maar wij kennen wel zijn geest. Zijn geest is daar, waar liefde tot God zich openbaart in liefde tot de naaste, waar wordt gezocht wat het leven van de mensen schoner, gelukkiger en beter kan maken. Als dat de geest van Christus is, dan kunnen wij van Christus zeggen dat hij de innerlijke gezindheid van het hart wil reinigen, de hemel op aarde wil brengen en het koninkrijk van God onder mensen wil stichten als een mens van wie kracht ter vervolmaking uitgaat.


Scholten zegt in zijn Afscheidsrede bij het neerleggen van het hoogleraarsambt in 1881 dat hij afscheid heeft genomen van een onhoudbaar gebleken extern gezag van de bijbel en van geloofsgetuigen. Hij heeft geleerd dat het geloof op een andere, innerlijke grondslag berust. Jezus werd bezield door het ideaal, volmaakt te worden in de liefde, zoals God, en hij wil zijn leerlingen dat ideaal leren. Het gaat er dan niet om, dat wij een nieuwe leer van Jezus ontdekken, die immers ook geen nieuwe godsdienst brengt, want zijn godsdienst bestond al vóór het Nieuwe Testament. Het gaat er ook niet om dat wij Jezus nadoen en het ideaal van de historische Christus overnemen. Het gaat er om, dat wij zelf in liefde tot God leven. Daarbij wil Scholten op geen enkele manier gering van Christus denken. Hij heeft de nieuwe geest gewekt en de eerste stoot gegeven tot wedergeboorte van het mensdom. “Met dankbaarheid blijf ik erkennen de zegeningen door hem aangebracht; met name is mij zijn kruisdood de hoogste openbaring van de macht der godsdienst”. Jezus heeft de geest der waarheid als het ware gewekt, maar die geest is altijd bij mensen geweest en laat ze als het ware van binnenuit getuigen van geloof, hoop en liefde, waardoor het woord van Jezus volgens Scholten ook zo – en dat is nadrukkelijk mijn woord – vanzelfsprekend kan worden beaamd.


Gunning heeft zich door de moderne theologie laten raken en hij heeft zich daar ook tegen verweerd. Dat blijkt al uit twee boektitels van hem. In 1884 schrijft hij Jezus Christus de middelaar Gods en der mensen. Alleen de titel maakt al duidelijk dat de persoon van Jezus Christus de onmisbare schakel is tussen God en mensen. Hij is niet alleen in het verleden degene geweest van wie een kracht ter vervolmaking uitgaat, die in ons een nieuw beginsel heeft gelegd door onze geest met zijn geest aan te raken, zodat dit beginsel nu zelfstandig in ons kan doorwerken en doorgroeien, maar hij is nu nog steeds de levende middelaar die God en mensen bijeenbrengt.

 In 1864 had Gunning zijn boek Christus de gekruisigde voor en in ons gepubliceerd, een herziening van een eerder werk en uit die titel komt naar voren wat hij de orthodoxie verwijt. De orthodoxie accentueert vooral het werk van Christus voor ons. Wil ze echter de moderne opvattingen van bijvoorbeeld Scholten en Opzoomer, Busken Huet en Pierson weerleggen, zal ze zich vooral moeten richten op de innigheid en de innerlijkheid van Christus ín ons, zoals de modernen immers ook de innerlijkheid benadrukten tegenover een uitwendig gezag, maar de Christus ín ons is dan volgens Gunning wel de Christus voor ons.

Gunning liet zijn publicatie voorafgaan door een Brief aan de voorstanders van de moderne theologie in de gemeente. In die brief richt hij zich tot de modernen, die ik vanaf hier vrijzinnigen zal noemen, en hij presenteert hen het voor hem beslissende punt over Christus. Ik vind die brief heel belangrijk, vanwege het punt dat Gunning maakt en vanwege de toon waarin hij dat doet. Hij geeft namelijk heel open aan, in welk opzicht hij zich zwak voelt staan tegenover de moderne theologie en in welk opzicht hij zeker is van zijn zaak. Daarin klinkt door hoe kwetsbaar hij is. In eerste instantie is zo’n kwetsbaarheid aan de moderne kant enigszins verdrongen. De modernen wapenden zich aanvankelijk vooral met wetenschappelijke zelfverzekerdheid en pas een latere generatie toonde zijn onzekerheid. De kwetsbaarheid of onzekerheid die onder het geschilpunt tussen Gunning en de modernen ligt, heeft er volgens mij mee te maken, dat wat er in het geloof en de christologie wezenlijk toe doet tenslotte niet objectief verwoord kan worden, terwijl men aan beide kanten ook geen genoegen kan nemen met een subjectief gevoelen. Er wordt daarom geargumenteerd, maar men kan de ander niet overtuigen en dat roept een ongenoegen op dat voortdurend dreigt om te slaan in verwijt uit miskenning, omdat die ander het diepste niet ziet of erkent.


Wat brengt Gunning in zijn brief aan de voorstanders van de moderne theologie inhoudelijk naar voren? ‘Gij wilt van het christendom alléén de liefde overlaten, maar ik wil aan de schriften als aan Gods Woord vasthouden en in Jezus als de Christus naar de apostolische getuigenissen geloven’. Dat is Gunnings inzet: vasthouden aan de schrift als Woord en Christus volgens de getuigenissen. Maar hij geeft meteen toe: ‘Veel te veel is onder ons het christendom als een leer, een samenstel van waarheden beschouwd. Het is een verstandskwestie geworden, en die zijn tegen uw aanvallen weerloos’. Gunning wil dus wel de schrift als Woord van God en Jezus als de Christus blijven belijden, maar niet de verdorde orthodoxie als leer en stelsel aanhangen. Hij begeeft zich daarmee feitelijk dan ook op het terrein van de moderne theologie. ‘Inderdaad, de waarheid is zedelijk, de liefde is het doel van de godsdienst, en Christus wekt in ons ondanks onze talloze zonden een beginsel van volkomen liefde’. Het gaat dus precies om die dingen, die de vrijzinnigen aandragen. Maar op hun terrein maakt hij dan zijn eigen grote punt.

‘Als Jezus alleen een mens is, die tot liefde oproept en niet de Zoon van God naar de schriften, dan is zijn vlekkeloze reinheid voor ons juist deprimerend, ontmoedigend en ter aarde werpend’. Gunning herhaalt dat argument bijna voortdurend in al zijn werk. In een sterke one liner zegt hij: ‘Als geloofsleer is het christendom troostend, als zedenleer vernietigend’. Hij bedoelt daarmee het volgende. Als Christus een perfect mens is, die ons helpt om beter te worden, dan gaat er van hem uiteindelijk alleen maar een neerdrukkende werking uit, want tegenover hem word ik vooral met mijn eigen tekort en zonde geconfronteerd, die mij alle hoop aan mijn eigen verbetering ontnemen.

Gunning wijst bij voortduring op de leugenachtigheid van vrijzinnigen, die over dit punt heenkijken. De volkomenheid van Christus maakt juist duidelijk hoe onvolkomen, gevallen en zondig deze wereld is. De wereld kán Christus niet opnemen, daarom heeft ze hem ook juist gekruisigd, en daaruit wordt precies de gevallen staat van de wereld duidelijk en zo openbaart Christus ons onze zonde. Dat je dat niet ziet of niet wilt zien, is Gunnings grootste verbazing.

Als zedenleer is het christendom dus vernietigend, omdat het onze hoop op zelfverbetering wegneemt, maar als geloofsleer is het troostend. Dat moet Gunning nu dan nog uitleggen. In de geloofsleer is Christus niet het zedelijke voorbeeld, maar het offer voor ons. En dat offer, zegt hij, ‘moet je naar het gronddenkbeeld der liefde verklaren’. Je moet Christus dus zien als een offer, dat echter niet orthodox in verband staat met genoegdoening, toorn en straf, maar moet worden uitgelegd op het vrijzinnige terrein van de liefde als hoogste waarde. Bovendien moet je de werking van dat offer dan uit het leven bewijzen. Je moet niet uit verstandsgeleerdheid praten en met bijbelcitaten redeneren, zoals de orthodoxie doet, die – zegt Gunning heel snedig – eerder lijkt te hechten aan een boekwording van het Woord dan aan de vleeswording. Het Woord is vlees geworden en dus moeten wij de waarheid daarvan uit ons leven bewijzen. ‘Uit ons leven moeten wij bewijzen dat de kracht van God zich in de liefde van ons hele bestaan openbaart’.  

Als wij tegenover Christus onze eigen zondigheid leren kennen, moeten wij ons met Christus laten kruisigen, zodat wij met hem worden opgewekt tot nieuw leven, doordat Christus is opgestaan en leeft in de zijnen door de Heilige Geest die mensen vernieuwt. Dat is de waarheid van het christendom, en de troost van de geloofsleer, maar die waarheid kan niet abstract worden bewezen of beargumenteerd, maar moet belichaamd worden en in het eigen leven werkelijkheid worden en van daaruit worden getoond.

Het is onze schuld, zegt Gunning, dat wij de vrijzinnigen niet kunnen overtuigen, ‘want ons leven is nog niet op de hoogte van de belijdenis’. Hij zit hier natuurlijk ook gevangen in zijn eigen onmogelijkheid. Hij kan geen beter leven laten zien, vanwege de zonde, maar legt toch alle nadruk op vernieuwing en verheffing van het leven vanwege Christus, die moet worden beleden als de Christus en als Zoon van God, en niet als een rein mens en een lichtend voorbeeld. Tegenover de vrijzinnigen voelt Gunning zich daardoor in zijn argumentatie onmachtig. ‘Ik kan hen niet wijzen op mijn eigen leven als op een krachtvolle, onweerstaanbare bevestiging van deze dingen’, zegt hij, ‘terwijl ik weet dat niets, niets, zo waarachtig en werkelijk is als wat mijn geest in samenstemming met de gelovige gemeente aanschouwt’. Gunning ziet en betoogt dat het zo is als hij zegt, maar hij kan het niet bewijzen. Dat maakt hem onmachtig en van daaruit kan hij ook uithalen. Het fundament van God staat vast, ‘en daarom waarschuwen wij de vrijzinnigen in onze onmacht’, zoals hijzelf zegt. In die waarschuwingen is hij dan stevig. ‘Gij zult voor de rechterstoel van Christus verschijnen’. Dat is geen opmerking die Gunning tekent, maar het is wel een opmerking die ook bij hem hoort, en daarmee wordt naast de kwetsbaarheid in het debat ook de agressie daarin duidelijk, die naar mijn idee des te meer opkomt, naarmate de gevoelde waarheid van het eigen standpunt minder objectief kan worden aangetoond. En dat van beide kanten.


Ik heb Gunning tot nu toe in zijn betoog willen volgen, zodat zijn punt naar voren komt. Point taken, zou ik willen zeggen en ik denk dat dit punt van Gunning binnen de vrijzinnigheid ook wel is opgepakt door een latere generatie die veel minder strak geloofde in vooruitgang en verbetering en zich daarom ook anders tot Christus verhield dan de modernen tot wie Gunning zich richt, ook al namen de lateren zijn hele theologie niet over. Ik denk ook dat Gunning zijn eigen – terechte – punt overspant. Hij lijkt te impliceren dat er alleen maar goeds uit een mens kan komen als deze zich eerst met Christus laat kruisigen. Hij beroept zich op zijn eigen ervaring en zegt dat dit de ervaring is van de hele gemeente en dat deze ervaring daarom een universele strekking heeft. Daarmee claimt hij een algemene geldigheid voor wat zich alleen maar particulier kan voordoen. Ik weet ook niet of Pierson of Busken Huet zich door hem begrepen zouden voelen. Daarmee relativeer ik Gunnings argument en uitwerking, zonder zijn punt teniet te willen doen. In de ontmoeting met Christus komen ook onze slechte kanten aan het licht. Wat daaruit volgt, is een tweede, maar dat inzicht onderschrijf ik.


In zijn column van maandag 23 december 2013 schreef Maxim Februari in het NRC over verbeterpunten. Een student had hem gemaild om hulp bij een paper. “De eis is zelfstandig denken. Mijn zelfstandig denken is dit keer Kerst en gaat om de aspect betreft een visie op de verbeterpunten in de registratieprocedure te onderzoeken”. Dit bericht zet Februari ertoe aan te mijmeren over excellentie, zoals u weet een buitengewoon belangrijke term in het huidige onderwijs en het management daarvan. “Excellentie zet aan tot zelfverbetering, streven naar heiligheid, het hoger onderwijs. Je ziet de voortreffelijkheid en je wilt erheen. Je ziet een ster aan de hemel en je gaat er achteraan. Kerst trekt van boven aan je”. Daarmee raken we precies aan de thematiek van Gunning en de modernen. “Tot mijn verbazing blijken veel mensen er tegen; tegen het hogere. Aanzetten tot excellentie is vernederend, zeggen de opleiders die ik tegenkom. Niet iedereen is immers in staat tot leren en groeien. De wereld moet gewoon worden beschreven, alle bewoners van het rijk ingeschreven, belasting opgelegd en betaald. En dat hele proces kun je steeds beter regelen, maar daartoe is het niet nodig dat de mensheid zichzelf verbetert”.  Het is natuurlijk ironisch dat Februari precies die opleiders, die allemaal werkzaam willen zijn in centres of excellence laat zeggen dat excellentie helemaal niet nodig is. “Nu weet ik het ook niet meer. Zelf zie ik andermans excellentie als een belangrijke bron van troost in mijn leven. Maar de verstandige mensen zien er vernedering in. Als anderen grootser zijn dan jezelf, mooier, liever, begaafder, sportiever, geleerder, dan kun je daarin volgens mij een uitnodiging zien tot evenaren of overtreffen, tot imitatie, emulatie, of gewoon tot dankbaarheid”. En daar zit voor mij een belangrijke kwestie. Heeft Gunning werkelijk gelijk dat de zuiverheid van Christus ons deprimeert? Kan die niet ook verheffend werken en troostend zijn en dankbaar maken, ook als wij ons door Christus van onze zonde bewust worden?


Voor Gunning is de ervaring heel belangrijk dat wij door een confrontatie met Christus zien hoe zondig wijzelf en onze wereld zijn, om dan met en door Christus tot nieuw en beter leven gewekt te worden. Naar mijn idee blijft het kwetsbaar om uit die ervaring tot een algemeen geldige theologie te komen.


Ik maak daarover een afsluitende opmerking. De vrijzinnigheid heeft het belang van Christus naar de innerlijkheid verschoven en Gunning is hen daarin gevolgd. De kracht van God door Christus kan alleen in ons innerlijk en uit ons leven blijken en valt niet objectief van buitenaf te bewijzen. Wanneer je probeert om de impact van Christus boven het persoonlijke uit te tillen, moet je particuliere ervaringen en inzichten zo uitvergroten dat ze algemeen en objectief worden. Wat mij aanspreekt, moet dan voor iedereen universeel gelden. Dat blijkt in onze wereld, die pluriform, post-modern, post-metafysisch of post-koloniaal wordt genoemd steeds moeilijker. Ik vind dat niet per se erg. Over de meest waardevolle zaken van het leven kunnen wij alleen maar in het perspectief van de 1e persoon enkelvoud spreken en dan moeten wij het daar dus ook over hebben vanuit die perspectieven. Dat sluit ons helemaal niet op in subjectiviteit, zolang wij onze perspectieven maar delen, confronteren en bijstellen.


Ik neem bij Gunning een zekere machteloosheid waar om dat, wat hem het meest ter harte gaat, algemeen geldig te laten zijn. Precies diezelfde onmacht neem ik ook waar bij Wilhelm Herrmann, de Duitse vrijzinnige theoloog, die zich niet door kruis en opstanding, maar vooral door het leven van Jezus met God in contact gebracht wist. Ook hij probeert dat zo algemeen geldend en objectief mogelijk te laten zijn en ook hem lukt dat niet, hoezeer hij dat ook probeert met zijn opvatting van het Innere Leben Jesu.


Ik ben juist onder de indruk van wat Gunning en Herrmann heel verschillend vanuit hun eigen perspectief te zeggen hebben. Dat valt te beoordelen, dat valt te weerleggen, daar valt over te spreken, dat kan beter of slechter zijn doordacht, en breder of smaller zijn gefocust, maar tenslotte blijft daar een perspectief dat juist in zijn particulariteit zeggingskracht en geldigheid heeft.  


Ik zou daarom menen, dat de universaliteit van Christus daarin zit, dat hij tot ieder mens kan spreken, en niet daarin is gelegen dat wij objectief, eenduidig en algemeen geldend kunnen zeggen waarin zijn betekenis gelegen is. In die zin sluit het universele en geldige van Christus het subjectieve en persoonlijke in, en kan het alleen maar daardoorheen worden gevonden. Dat inzicht is bij Gunning levensgroot aanwezig en dat maakt hem ook in (mijn) vrijzinnig perspectief tot een belangrijke en gewaardeerde stem.