BEDRIJFSNAAM

In de Waagschaal, jrg. 45, nr. 3, 5 maart 2016

Literatuur en christendom bij Gunning


Dr. O.W. Dubois


Tijdens een feestelijke bijeenkomst in het karakteristieke kerkje van Blauwkapel is eind vorig jaar het derde en laatste deel van het Verzameld Werk van J.H. Gunning Jr. (1829-1905) gepresenteerd. Met de verschijning van dit deel over denkers en dichters is een geesteswetenschappelijk monument van de eerste rang voltooid waarvoor met name bezorger Mietus grote dank en waardering toekomt. Het betreft hier immers een even fijnzinnig als erudiet theoloog en we zeggen niet teveel wanneer we hem een negentiende-eeuwse kerkvader noemen. Schatten van schoonheid en wijsheid heeft hij voor ons ontsluierd en deze – en ongetwijfeld ligt hierin zijn bijzondere betekenis – verbonden met het christelijk geloof en vooral met de persoon van Jezus Christus in wie naar het paulinische woord al de schatten der wijsheid en kennis veborgen zijn. Dit derde deel legt hiervan opnieuw getuigenis af.Wat de denkers betreft vinden we hierin, ze beslaan bijna de helft van de uitgave, de volledige teksten van Spinoza en de idee der persoonlijkheid (1876) en De eenheid des levens, naar Spinoza’s Amor intellectualis (1903); bovendien zijn enkele kortere beschouwingen over Spinoza opgenomen alsmede over Plato en Schopenhauer. De dichters worden vertegenwoordigd door Goethe en Schiller, terwijl het deel wordt ingeleid door Het evangelie en de literatuur (1856).


Van de rijkdom van deze geschriften voor hart en verstand en bijna meer nog voor het gelovig gemoed kan slechts een impressie worden gegeven. Een impressie die zich, eigen voorkeur volgend, bovendien nog tot de literatuur beperkt. Filosofen en theologen, wij zouden dat toejuichen, mogen hun eigen licht over Gunnings filosofische werken laten schijnen. Maar wij beperken ons tot de literatuur waaraan hij een hoge afkomst en betekenis toekende: ‘Zij is de meest-algemene geschiedenis van het menselijke, van de algemene ideeën der mensheid, zoals die in de voortgang van haar ontwikkeling tot voedsel voor de literatuur bloesems afwerpt van wetenschap, staatsleven en maatschappij, van de volkssympathieën en worstelingen. Aanlokkelijk, ja betoverend is het tafereel dat zij ons in haar prachtvolle samenhang voor ogen stelt’.


Voor Gunning was literatuurwetenschap heel goed in overeenstemming te brengen met het christelijk geloof. Evenals kunst en wetenschap immers kon ook de literatuur, die hij in dit verband omschreef als uitdrukking van de mens zelf in zijn streven naar volkomenheid, naar de zuiverste waarheid van zijn wezen, worden beschouwd in het licht van de door God geopenbaarde waarheid. Het verwijt van onwetenschappelijkheid van een christelijke literatuurbeschouwing deed hij niet gelden. De christelijke waarheid, gegrond op historische feiten die in het hart moeten worden opgenomen, bevredigt de innigste zielsbehoeften en als zodanig betoont zij zich een licht dat louter door zijn instraling zich aan het oog als licht bewijst en tevens dat oog tot de hoogste, volkomen waarneming bekwaamt (cursivering van Gunning). Wel verre van vooringenomenheid leidt christelijke literatuurbeschouwing juist tot weidse en voor wat Gunning betreft bijna hemelse vergezichten. Naar een woord van Miskotte: de kern ziet wijd.


In dit licht zal zij ook de klassieke oudheid benaderen, die zo van belang is geweest voor onze literatuur, en haar zien als een voorbereiding tot Christus. De heidense oudheid is, ‘in haar geheel, wel door God aan zichzelf overgelaten, maar niet verlaten. Bepaald was het met de Griekse wereld de raad Gods dat zij de volschone ontwikkeling zou wezen van al wat de mens, buiten het licht van de bijzondere goddelijke openbaring, onder de gunstigste omstandigheden voor staat en wetenschap, literatuur en kunst kan tot stand brengen’.


De literatuurwetenschap is geroepen tot toetsing van de esthetische waarde aan het objectieve en volmaakte schoonheidsideaal van de harmonie. Harmonie zowel tussen inhoud en vorm als het geheel en de delen, zodat een kunstwerk eerst schoon kan worden genoemd wanneer in alles, tot in de kleinste bijzonderheden toe, zijn karakter spreekt. Gunning erkent dit volmaakte schoonheidsideaal. Het unieke van Gunning is echter dat hij deze volmaakte schoonheid in hoger geloofslicht plaatst en haar in Christus fundeert: ‘Indien er dus een volmaakte schoonheid zelf als hoogste toetssteen van het schone bestaat, zal zij een feit moeten zijn waarin het volmaakste karakter in alle bijzonderheden van het verschijnsel op de volmaakste wijze zich uitspreekt, waarin de volkomenste inhoud in de volkomenste vorm is belichaamd, waarin het hoogste ideaal tot werkelijkheid gekomen is. Van zulk een feit nu is het christelijk geloof verzekerd. Het is de historische werkelijkheid van Hem die de kerk met een stoute maar gelukkige poging de Godmens heeft genoemd. In Jezus van Nazaret erkent zij de volle, werkelijke, persoonlijke zelfopenbaring Gods, en tevens de ‘volle heilige ontwikkeling van ’s mensen oorspronkelijke aanleg en bestemming’. Christus is de Koning van het Godsrijk waarvan de grondwet de ware menselijkheid is. Gunnings literatuurbeschouwing is voluit christocentrisch.


Vanuit dit christocentrisch perspectief benadert hij ook Schiller en Goethe, waarbij het verre ervan is dat deze benadering geen recht zou doen aan de specifieke voorstellingswereld van deze twee dichters. Veeleer is het tegendeel het geval. Met een uiterst verfijnd gevoel voor literaire schoonheid en begiftigd met een groot empathisch vermogen leidt hij zijn lezers rond door een rijke en verheven ideeënwereld zoals die in schone vormen zijn neerslag heeft gevonden. Even verheven als Blikken in de Openbaring zijn deze blikken in de literatuur.


Voor Gunning was Schiller een profetische gestalte van heerlijke zin en indrukwekkende ernst wiens leven bepaald werd door het zoeken naar het grote en verhevene. Een dichter die smartelijk leed onder de tegenstelling tussen ideaal en werkelijkheid en vervuld was van een diep en tragisch besef van de onvolmaaktheid en disharmonie van het leven dat door de dood bedreigd wordt. In zijn gedicht Der Taucher (1798), hier volledig opgenomen, is de dood de verwoester van een verloren gegane heerlijkheid: ‘Wie tot de bodem der dingen van deze wereld en van het menselijk hart doordringt, wie de grens aanraakt waar het eindige aan het daar achter liggende oneindige paalt, die tast op de dood, en wel op verschrikkingen die een gestoorde orde, het vervangen-zijn van een oorspronkelijke heerlijkheid door demonische machten der vernietiging aanduiden’. Schillers beschouwing van de dood is van diepe ernst, maar toch is zij niet de allerdiepste, is zijn ernst niet volkomen. Een volkomen ernst ziet in de dood, die op de bodem van alle dingen ligt, de gestalte van het kruis waar de vloek van de gehele wereld zich in samentrekt en tegelijk overwonnen en verzwolgen wordt; en wie zo het kruis aanschouwt ziet vervolgens ook de opstanding, maar helaas, zo voegt Gunning eraan toe, zag Schiller deze niet. Tot werkelijke kennis van zonde en ellende is Schiller, die wel een neiging tot Christus kende maar het werkelijk geloof in de Zoon des mensen miste, niet gekomen. Daarvoor kon hij niet loskomen van de natuurlijke hoogmoed van de mens buiten Christus en kon hij niet aanvaarden dat het Evangelie van Christus de mens langs de weg van diepe vernedering leidt tot een onbeschrijfelijke hoge opheffing van zijn natuur.


Evenmin tot zonde en verlossing en Christus kwam Schillers tijdgenoot Goethe die door Gunning, die hem het hoogste koningschap in de poëzie toekent, wordt getekend als representant van de esthetische levensrichting voor wie de wereld een volkomen schoon en organisch samenstel is en die de mens ziet als deel van de natuur die in harmonie met haar zijn bestemming bereikt. In de Faust is ons een beeld van geheel deze esthetische levensrichting gegeven. De bewondering van Gunning, die de betoverend schone lyriek, de epische rust en de volmaakte harmonie van Goethe contrasteert met de poëtische ovolkomenheden van de door een duistere wil en donkere natuurkrachten voortgedreven Schiller, voor de wonderbare schoonheid van Faust is groot: ‘Laat uw ganse ziel in deze toverwereld verzinken − en er zal geen bepaalde, afgepaste gedachte bij u zijn gewekt. Gij ademt in een verrukkende atmosfeer, en een heirleger van schone gestalten trekt langs u voorbij, en ieder spreekt zijn eigen taal en openbaart u zijn eigen geheim. Bij de aanraking van deze poëzie met de diepte van uw ziel kristalliseert zich als het ware in uw binnenste een tempel met wonderbare harmonieën vervuld, met magische nevelen als omfloersd, die, als ze optrekken, zich in een gestalte van geheimzinnige schoonheid samenvatten wier naam gij niet terstond weet of behoeft te bepalen’. Wie ooit eens op een stille eenzame avond de Faust – in de fraaie vertaling (2001) van Ard Posthuma − las zal deze woorden graag beamen.


Faust voelt zich volledig verbonden aan deze wereld en van verheerlijking van haar, van een hogere wereld als grond van deze lagere wereld, wil hij niet weten, en vandaar, zo schrijft Gunning, wordt bij alle heerlijke verhevenheid van zijn gaven, bij alle vlucht van plannen en gedachten, zijn ganse leven aards en van de hoogste adel der menselijkheid beroofd, en ook de hemel tot waar hij na zijn dood omhoog wordt gedragen,behoort tot de aarde: ‘Met de waarachtige hemel, zoals het geloof hem kent, heeft deze esthetische hemel, waar slechts zangererige bekoorlijheid, maar geen heiligheid is, niets gemeen. De dwepende liefde, het ‘eeuwig-vrouwelijke’ in onze natuur, dat is, het esthetisch welbehagen in zijn schoonste uitdrukking, trekt ons daarheen op. Van de christelijke zelfverloochening, kruisiging des vleses, die alleen in waarheid de hogere wereld voor ons opensluit, is hier geen sprake’. Boven alle schoonheidsverrukking uit laat de Faust een onbeschrijfelijke schoonheidsverrukking na, want zelfs een zo rijke geest als Goethe, wiens ongeëvenaard dichtergenie, blinkende rijkdom van de diepste, de tederste, de machtigste, de schoonste gedachten hem stempelen tot een wereldprofeet, is het niet gelukt, wat duizenden malen steeds opnieuw beproefd is, aan te tonen hoe iemand zonder het geloof in Jezus als de Christus Gods, langs de weg van voortdurende inspanning ten hemel kan gaan. Voor Gunning was Christus inderdaad de toetssteen van alle schoonheid en wijsheid.


Dr O.W. Dubois is historicus


N.a.v. J.H. Gunning Jr., Verzameld Werk, Deel 3 1856-1903, Over denkers en dichters, Boekencentrum 2015, € 49,90



Verheven sferen van vroomheid en geweten


Dr. O.W. Dubois November 2011


Gunning  moge wel gerekend worden tot de edelste en diepste gestalten van onze geestesgeschiedenis. Een man in wie wij een unieke en bijzonder mooie combinatie van diepe vroomheid en grote geleerdheid vinden. Geleerdheid en vroomheid die veredeld wordt door wat vroegere geslachten een beschaving des harten noemden. Lezende in Gunnings geschriften wordt de lezer meegevoerd in een rijke en diepe gedachtestroom waarin hem ongekende vergezichten op tijd en eeuwigheid worden geopend. Rijkgevulde schatkamers worden ontsloten en in ongekende glans tentoongesteld. In het werk van Gunning, ook wanneer hij spreekt over de actuele kwesties van zijn tijd of in gesprek gaat met tijdgenoten, bevindt men zich altijd in het rijk van de geest waar niets kleins of triviaals vermag door te dringen. Gunning was er verre van het kwaad, beter gezegd de zonde, te ontkennen, maar was tevens diep overtuigd van de adeldom van de mens, althans van de roeping hiertoe, in het bijzonder van de christen. Voor de christen geldt wel bij uitstek: noblesse oblige.

Deze adeldom, hoeveel  verheven en groots zij ook kan voortbrengen,  schittert in de eerste plaats niet in kunsten en wetenschappen of in andere grootse prestaties van menselijk kunnen.  Dit alles, en hier vertoont Gunning  een ons inziens diep treffend inzicht, behoort  tot het rijk van de zelfontvouwing of zelfontplooiing, die  zich weliswaar in de meest edele vormen kan kleden, maar in diepste wezen gesublimeerde egocentriciteit of hoogmoed is. Hoogmoed die naar het diepe inzicht van het christendom aan de wortel van al het kwaad ligt.


Voor waarlijk mens zijn en voor echte geestesbeschaving is  vóór alles zelfverloochening nodig. En zelfverloochening behoort niet tot het terrein van het natuurlijke leven. We moeten haar zoeken in de hogere en zuivere sferen van het geweten en het geloof, sferen die niet van elkaar gescheiden zijn maar bij elkaar behoren.  Deze samenhang van geloof en geweten is geen abstract idee, een theoretische veronderstelling, maar vindt haar zichtbare gestalte, haar levend voorbeeld, in de volstrekt unieke persoon van Jezus Christus. Het is Gods inplanting van Christus in het hart van de mens waardoor de mens zich van de grond van zijn bestaan, van zijn geweten bewust wordt. Christus en het diepste verlangen van het geweten – Gunning gebruikt veelal de term consciëntie – zijn met elkaar verbonden,  en zo kan Gunning schrijven dat de grote waarheid van het christendom hem gelegen schijnt te zijn in de volstrekte overeenstemming van de historische Christus met de eeuwige behoefte en eis van het geweten.


Karakteristiek voor Gunning is zijn grote christocentriciteit. In Christus, en hier sluit hij zich natuurlijk bij Paulus aan, is alle volheid van leven, van wijsheid en kennis, en met grote ernst en radicaliteit houdt hij zijn lezers en opponenten, van vrijzinnig tot rechtzinnig, de eis tot navolging van en overgave aan Christus voor. Christus die wil wonen in ons hart en ons wil leiden tot de zaligheid op aarde en in de hemel. Het lezen van Gunnings fijnzinnig geschreven werk is een boeiende en, naar negentiende-eeuws taalgebruik, een zielsverheffende ontdekkingstocht in de verheven gevoels-en ideeënwereld van het christendom en in het bijzonder van de hoogheid en verhevenheid van de persoon van Jezus Christus die in ons hart wil wonen. Van Gunning kunnen we leren dat het christendom en vóór alles de persoon van Christus ons leidt naar ware menselijkheid, wijsheid, goedheid en schoonheid.